God, Spinoza en Boeddhanatuur

Onderstaande openbaring van Jules Prast wil ik jullie niet onthouden. Kersvers gepubliceerd op 29 juni tijdens een verblijf in de Harz.
Weet dat Taigu zijn spirituele Zen-naam is.  Het is een lang artikel, dus even goed doorlezen. Wil je meer van hem lezen, hier is de link naar zijn website.

Meer en meer vraagt Taigu zich af waarom wij ons wentelen in zen en boeddhisme terwijl onze cultuur denkers als Spinoza en Schopenhauer rijk is die ons het pad van de boeddha-dharma kunnen opleiden

“Alle schoon die de aard’ kan geven, blijkt een pad dat tot u voert; en slechts is leven leven als het tot den dood ontroert,” dichtte P.C. Boutens. Zijn poëzie is vrijwel vergeten, maar Taigu kent flarden ervan uit het hoofd sinds hij er op school mee in aanraking kwam. Ryokan had in zijn hut een bundeltje Dogen op een boekenplankje; op het zijne heeft Taigu óók het verzameld dichtwerk van Boutens staan, in twee kloeke deeltjes.

Sinds Taigu zijn onwetendheid heeft afgelegd en hervonden, lezen zijn ogen met een andere kracht. Het ‘u’ waarheen het door Boutens bezongen pad leidt, is de dood, waaraan zijn gedicht is opgedragen. Boutens bezingt de boeddhistische leegte als de grond van al wat bestaat en zijn schoonheid onthult in zijn vergankelijkheid.

Taigu is in het middelgebergte van de Duitse Harz met de oudste van zijn courante vrienden. Hier zijn wouden vol everzwijnen temidden waarvan Ryokan zo uit het niets naar voren zou kunnen treden. Gisteren was Taigu in Göttingen. Omwille van zijn conditie wordt hij gewoon voorgereden bij een terrasje, maar de interactie met zijn vriend leidt tot een herbeleving van hun gezamenlijke studententijd en het kind dat Taigu daarvóór was, toen hij met mijn ouders gezinsvakanties in Duitsland doorbracht. Het is een uitdrukking van een heel bijzondere vriendschap dat hem een reisje is aangeboden dat op maat van zijn kunnen (of het gebrek daaraan) wordt gemaakt. Taigu wordt er stil van en dankbaar en ook emotioneel en het kán allemaal gewoon samen.

De Harz is tijdens de Koude Oorlog in tweeën gereten door een IJzeren Gordijn met wachttorens en automatische schietinstallaties die afgingen als je probeerde het hek over te klimmen. Een deel van dat oude hek staat bij wijze van souvenir in de plaats waar Taigu verblijft. Het is een getuigenis van de bewogen geschiedenis van dit land. Lang voordat dit gebied verdeeld was in een Oost en een West, maakten dichters als Goethe en Heine lange wandeltochten door de natuur van de Harz. Buiten onder Taigu’s slaapkamerraam kabbelt een beekje dag en nacht de taal van de dharma. Geen wonder dat dichters hier inspiratie kwamen opdoen voor hun literaire werk.

Maar het is niet alles poëzie die Taigu’s pen in beweging brengt. Hij leest hier een recent boek over Spinoza, een filosoof uit de zeventiende eeuw. En eindelijk ziet Taigu zijn kans schoon te doen wat hij al langer wilde: schrijven over God, het grootste taboe onder westerse boeddhisten, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, precies die God waarvan veel boeddhisten bij het horen van Zijn naam alleen al puisten krijgen.

Toen twee eeuwen na Spinoza de eerste vertalingen van vedische geschriften in kleine kring begonnen te circuleren in Europa, werd de boeddha-dharma misprijzend uitgemaakt voor ‘spinozisme’. Het sentiment is in zijn tijdsbeeld invoelbaar, maar Taigu’s ogen lezen ook Spinoza vervuld van en ontledigd door een andere kracht.

De filosoof maakte onderscheid tussen het Godsbeeld van het Oude Testament en de ware God die immanent is in de dieptestructuur van de wereldse werkelijkheid. Taigu ontleent de terminologie aan Maarten van Buuren, de auteur van het boek. De God van het Oude Testament was volgens Spinoza een uitvinding van mensen om de stammen van het volk van Israël te verenigen onder een gemeenschappelijk banier. De ware God is niets anders dan de natuur zelf, Zijn wetten en ‘wilsbesluiten’ zijn de vormkrachten van die natuur, die ook ons, mensen, als sociale dieren omvat. Aldus de dharma van Spinoza, die hem kwam te staan op een plechtige banvloek en excommunicatie uit de joodse gemeente van Amsterdam.

Meer en meer vraagt Taigu zich af waarom wij ons wentelen in zen en boeddhisme terwijl onze cultuur denkers als Spinoza en Schopenhauer (ook een filosoof) rijk is die ons het pad van de dharma kunnen opleiden. De irrationele ‘wil’ van Schopenhauer is de kracht die het boeddhistische levenswiel in beweging houdt en mensen herboren laat worden in het pandemonium van hun aardse lijden. Spinoza’s God is een abstracte God, van dezelfde orde als de Tao uit het begin van de Platform Sutra, wanneer Huineng de ware dharma ten gehore brengt voor een publiek van lokale potentaten en rivaliserende neo-confucianisten; alle worden uiteraard betoverd en bevrijd door de ongeletterde voormalige keukenhulp in het klooster, die het met gevaar voor eigen leven tot abt en zenmeester heeft geschopt.

Waar hebben wij, boeddhisten, het gezwijmel van christelijke mystici voor nodig wanneer Spinoza en anderen, ook moderne filosofen als Levinas (twintigste eeuw), ons voorhouden dat de weg naar bevrijding toegankelijk is door middel van de menselijke rede? Sinds de tijd van Gautama in noordwest India wordt de rede als innerlijk kompas gewantrouwd door boeddhisten; dit was in China en omringende landen niet anders. De werkelijkheid onttrekt zich in het boeddhisme aan het denkvermogen en de taal van mensen.

Zo komen we in zen aan een transmissie zonder woorden; ons zelfverstaan moet worden onderworpen aan een ‘diepe herprogrammering’ (woorden van David McMahan, een onderzoeker van boeddhistisch modernisme) waarbinnen de rede niet wordt afgeschaft, maar een nieuwe, ondergeschikte functie krijgt. Na de onwetendheid komt in het achtvoudig pad juist inzicht en voor het met een geslaagd resultaat afleggen van de weg naar wijsheid voorbij alle wijsheid heb je een zeker onderscheidingsvermogen en dus een scherp en praktisch verstand nodig. De mythe van het moderne boeddhisme is dat denken de beoefening in de weg staat. Maar dat is dus mythe. Of meent iemand dat Dogen de hoofdstukken van zijn Shobogenzo gedachtenloos opzei?

Bij Spinoza is de kiemkracht van het kennen de sleutel tot inzicht in de realiteit van transcendente immanentie. Kiemkracht is een van die mooie woorden van Maarten van Buuren. Met een uitdrukking uit het klassieke Grieks heet deze kiemkracht bij Spinoza ‘logos spermatikos’. Wat we hier aan ons oog zien verschijnen is de werking van de andere kracht van de dharma in Spinoza. Wij, mensen, behoren met de immanente God tot de natuur. God heeft niets geschapen en is niet persoonlijk; het is de naam die wij geven aan de totaliteit van de krachten die de natuur tot natuur maken. De kiemkracht van ons kenvermogen is bij Spinoza niets anders dan de boeddhanatuur van ons dharmaverstaan.

Taigu zal niet van de boeddhaweg af geraken, maar je komt de weerklank ervan tegen binnen de filosofie van onze cultuur. Waarom teksten ontcijferen uit de wereld van Mahayana wanneer de wijsheid voorbij alle wijsheid in onze eigen kring onder handbereik ligt? Hieruit geeft Taigu zijn opslagbewustzijn voorlopig spiritueel voedsel. Dat opslagbewustzijn bevat a priori ‘alle schoon die d’aard kan geven’, dus veel mis gaan kan er niet wanneer het voedsel een tijdje uit andere bron wordt betrokken.

Namu Amida Butsu,

Taigu


Maarten van Buuren, ‘Spinoza. Vijf wegen naar de vrijheid’, uitgeverij Ambo/Anthos, 2016. Het citaat van Boutens is uit zijn gedicht ‘Goede Dood’ (uit zijn dichtbundel ‘Verzen’, 1898).

De noodzaak om Radicaal te veranderen

Naarmate wij ons grondiger realiseren hoe oneindig groot de schade is door neurotische conflicten aan de persoonlijkheid en het leven van de mens wordt aangericht, komt de stringente noodzaak er een principiële oplossing voor te vinden in een steeds helderder licht te staan.

Een radicale weg

Maar wanneer, naar we nu inzien, rationele besluiten, uitwijkmoeuvres noch pure wilskracht iets uithalen, hoe moet die oplossing er dan uitzien? Er is maar één weg: innerlijke conflicten kunnen slechts opgelost worden door de hele psychische instelling waar de conflicten uit voortkomen te veranderen.
Dat is een radicale en zware weg. Wie weet hoe moeilijk het is om wat dan ook in onszelf te veranderen, zal begrijpen waarom wij allemaal zo driftig op zoek zijn naar wegen die sneller tot het doel voeren.

Pseudo oplossingen

Misschien is dit de reden waarom patiënten – en niet alleen zij! – zo dikwijls vragen: is het niet voldoende als men het eigen basisconflict ziet? Het antwoord luidt onomwonden: neen. (…)
[Want] zolang deze situatie blijft bestaan, kan de neuroticus geen enkele van zijn, uit tactische noodzaak geboren, tegenstrijdige impulsen opgeven. Integendeel zelfs: de innerlijke noodzaak waaruit zij voortspruiten wordt in de loop van de neurotische ontwikkelijng steeds dwingender. Het feit dat de pseudo-oplossingen de problemen in zijn relaties met anderen en met zichzelf doen toenemen, betekent dat een echte oplossing hoe langer hoe onbereikbaarder wordt.

Er is maar één weg

Het doel van de therapie kan daarom slechts zijn de innerlijke situatie zelf te veranderen. De neuroticus moet geholpen worden zichzelf te hervinden, zich van zijn werkelijke gevoelens en verlangens bewust te worden, te beslissen waar hij waarde aan hecht en waaraan niet, en relaties met anderen op basis van zijn eigen gevoelens en overtuigingen aan te gaan.

Maar wanneer, naar we nu inzien, rationele besluiten, uitwijkmoeuvres noch pure wilskracht iets uithalen, hoe moet die oplossing er dan uitzien? Er is maar één weg: innerlijke conflicten kunnen slechts opgelost worden door de hele psychische instelling waar de conflicten uit voortkomen te veranderen.

​Innerlijke noodzaak

Dat is een radicale en zware weg. Wie weet hoe moeilijk het is om wat dan ook in onszelf te veranderen, zal begrijpen waarom wij allemaal zo driftig op zoek zijn naar wegen die sneller tot het doel voeren. Misschien is dit de reden waarom patiënten – en niet alleen zij! – zo dikwijls vragen: is het niet voldoende als men het eigen basisconflict ziet? Het antwoord luidt onomwonden: neen. (…)

[Want] zolang deze situatie blijft bestaan, kan de neuroticus geen enkele van zijn, uit tactische noodzaak geboren, tegenstrijdige impulsen opgeven. Integendeel zelfs: de innerlijke noodzaak waaruit zij voortspruiten wordt in de loop van de neurotische ontwikkelijng steeds dwingender. Het feit dat de pseudo-oplossingen de problemen in zijn relaties met anderen en met zichzelf doen toenemen, betekent dat een echte oplossing hoe langer hoe onbereikbaarder wordt.

​Geen toverkracht

Het doel van de therapie kan daarom slechts zijn de innerlijke situatie zelf te veranderen. De neuroticus moet geholpen worden zichzelf te hervinden, zich van zijn werkelijke gevoelens en verlangens bewust te worden, te beslissen waar hij waarde aan hecht en waaraan niet, en relaties met anderen op basis van zijn eigen gevoelens en overtuigingen aan te gaan. 

Als wij in staat waren dit door toverkracht te bereiken, zouden de conflicten verdreven worden zonder dat wij er een hand voor hoefden uit te steken. Maar toverkrachten bestaan niet en daarom dienen wij te weten welke stappen er ondernomen moeten worden om de gewenste verandering te bewerkstelligen. (Karen Horney, in Onze innerlijke conflicten)

Gepubliceerd op facebook door John Willemsen/NBN op 8 juni 2016