De Doop van Jezus & Drewermann

In de wintercyclus van onze meditaties volgen we het mythische verhaal over het leven van Jezus Christus. We kunnen dat verhaal opvatten als een verhaal over bewustzijnsontwikkeling. In die ontwikkeling maken mensen individueel en collectief vijf markante overgangen door: de tweede geboorte, de doop, de verheerlijking, de kruisiging en de opstanding.

Waar Boeddha de ontdekking en de weg  van bewustzijn brengt, zo brengt Christus de ontdekking en de weg van liefde. Beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de meditaties ervaren we ook beide ook als twee stromen van een rivier.

Naar aanleiding van onze meditatie over de Doop en de Schaduw kreeg ik van Ben Berger het volgende bericht gestuurd:

“Hans, dit is wat ik vond bij Drewermann over de doop van Jezus.
Misschien kun je er wat mee.”

Uit “Jezus van Nazareth” pg. 13
“We willen aantonen dat het niet mogelijk is de mens te helpen door
middel van de moraal – dat besef is de eigenlijke betekenis van de
zogenaamde ‘erfzondeleer’. Een werkelijk probleem in het menselijk
leven laat zich niet oplossen door een “gij zult”of “gij zult niet”,.
Ieder mens moet iets beleven wat lijkt op de uitgestoken hand van
Jezus.

De kernzin van Marten Luther geeft de hele inhoud weer van de
kerkelijke genade’- en ‘rechtvaardigingleer’. Maar wat mensen nodig
hebben heet in hun taal niet ‘genade’, maar eerder goedheid en
begeleiding. En dat is eerder een open hand dan een opgeheven of
uitgestoken wijsvinger, eerder acceptatie zonder veroordeling en open meeleven dan dogmatiek, conformisme en kerkelijke dwang”.

Uit ‘Beelden van verlossing”pg. 38
We kunnen ons afvragen, wat Jezus ertoe heeft gebracht om de doop van Johannes te aanbaarden, dat felste getuigenis van een ascetische, hartstochtelijke strijd tegen het kwaad; hoe was het mogelijk, dat hij zich kon onderwerpen aan een zo markante handeling?
Want het is waar : elke vermaning tegen de zonde, elke aanklacht tegen het kwaad neemt de schuld niet weg, maar maakt die alleen maar nog uitzichtlozer.

Toch is dit nu juist misschien wel de reden, waarom Jezus de rite van
het ‘doopsel’ aan zich laat voltrekken, om die ernstig te nemen tot op het punt, waarop de betekenis ervan verandert. Altijd en overal
spartelen mensen in de netten van de schuld en sleuren ze zich ondanks al hun levenswil de dood in.

Wat Jezus bij de doop van Johannes doet, lijkt de ongehoorde poging te zijn, het nu eens anders aan te leggen: niet te ontsnappen en in nieuwe morele prestaties te vluchten, maar stil te blijven staan, af te wachten, en zich aan dat, wat op ons toekomt, het onmogelijke, het door iedereen zonder uitzondering als onmogelijk beschouwd, toch te vertrouwen: hij komt niet om te doden, maar hij komt om ons te redden.

God is in de ogen van Jezus niet de uitzuiger en rechter die wij
denken dat Hij is. Wij kunnen, wij mogen, ja, wij moeten om zelfs  maar te kunnen leven, ons vertrouwen er op stellen dat hij waarde hecht aan onze vrijheid, ons leven! Het is, alsof Jezus zich in het teken van de doop door Johannes zelf aan de dood overgeeft, om aan zichzelf en alle anderen te laten zien: precies zo loopt de enige weg ten leven.

Allemaal gaan ze naar Johannes om zichzelf uit angst voor God en zijn oordeel van hun zonden te ontdoen. Jezus alleen gelooft niet in deze mogelijkheid. Hij komt naar de Doper, om de proef op de som te nemen en te bewijzen, dat er voor angst voor God geen reden bestaat, dat wij tegen God alles open kunnen zeggen en dat alles alleen maar goed komt als we ons aan Hem overgeven”.

Print Friendly, PDF & Email

Leave a Comment